site van Nanda Geuzebroek
home genealogie foto's van nu links contact
geusebroek

geschiedenis
naam
verspreiding
pieter jacobsz
 

parentelen
6 generaties
dochters Claes
dochters Jan
Lammert
grote tak
kleine tak


voorouders
Grietje Beschier
Neeltje Blom

geusebroek
lippesdevries

kuijt
springer
joling
rijvordt
winsser

minnen
lesscher
vergeer

zijtsel

 

Journaal van schipper Heertgen Jansz d anno 1616

 

An mijn h(eere) Dee Bewijnthebberen Der geocktroijerdde Compenij van nuw gronlant Spijtzberghen Eend(e) vant Eeijlant dee qwestij oefft Jan Meijns Eeijlant Resedijrende thot Eenchuesen

 

Joernael van ons Reisse In Jan Meijns Eeilant oeft het Eeijlant de qwestij 1616 In maij

Wonsdach a(vont) 25 Dijto seijlden wij ut thessel met ons Schijp de hopee genamt ondert beleijt van Schijpper Eende cappeteijn heertijen Jans van Eenchuesen Eende sturman Louwrus Jacops hebbende in alles op 42 Eeters, qwamen mett S S oes(f?)ter S O en bueten gaetz, seijlden het Lantdiep ut met een N O wijnt. Den jenerael van on(s) vloot Jan Jacops Schropop met Pieter Jacops Gusenbrock lopen met ons ut. Doen wij buten gaets waeren was ons coers NNW met moij weeder, die heer sij loeff. Des snagts creghen wij die? wijnt N met reghen thegen den dach.

Maijes

Donderdach avond 26 dijto hadden wij voer de mijddach veel Reghen met een N wijnt. Ons koers was WNW tho deen avont tho noch wel so W. savons doent jister? Cartijr opgesteken was wenden wij Eende de wijnt begonde tho W. saten ons koers doen NNW thotten dach.

Vrijdach avond 27 dijto hadden wij moij weder met SSW wijnt. Ons koers was den ganssen dach NNW met Een moije vaertgangh EEnde redelijcke koelte.
Dijto snagtz creghen wij een OSO wijnt. Satten ons koers doen N. Creghen een sivae?en Reghen Desen nacht die wijnt lep theghen den dach N oest. Saeten ons koers doen NN West.

Saterdach avond 28 Dijto. Smorgens hadden wij noch die selve coelte Eende helden die selve koers. saghen Een schijp in see daer bijcomende wast Een Eengelsman Een docke? meer? wij spracken hum? niet. omtrent den mijddach saghen wij noch Een schijp in de lij van ons begonde hart the waijen Eende the reghenen nannen? ons marsseijls Eende blijnde In. namen ons bonets ?off weijde Een storrem utten NW then W ghijnghen W om thegen deen avont wenden wij. ghijnghen doen NN oest om deen reghen helt op metten avont die wijn lep west. gijnghen doen weder noert N west om thegen den dach was die wijnt WSW. ons koers als voeren.

Sondach avond 29 dijto hadden wij smorghens moij weder. satten ons marsseijls daer weeder dij met ons blijnde Eende die wijnt S W then W. ons koers was Noert W then N. Creghen naden mijddach weder hardden wijnt met wat reghen namen ons voermarsseijl mett die blijnde Eende besaen In Creghen voerde wijnt theghen den avont worddet beeter weder. saeten ons seijlen daer weder bij de wijnt scheepte helden ons selve koers N N W. Snagts hadden wij moij weder. die wijnt begonde al merder the scharpen dat wij niet hogher dan N conden angaen.

Mandach avond 30 dijto hadden wij smorghens moij weder mett Een WSW wijnt. ons koers was NNW. naden mijddach begondet stijff the waijen met reghen. die wijnt lep suijden ende S then O hen laet INden Avont begonde die wijnt oest the waijen, ons koers was als voeren Een helen nacht. hadden den ganssen nacht beijde ons marsseijls in.

Dincksdach avond 31 dijto hadden wij s morghens Een Oest N Oeste wijnt, ons koers was W then N, die wijnt lep norden then oesten, gijnghen W N West om wenden metten mijddach saets ons koers doen N oest then N aen saghen lant N West van ons lijghen, hadden moij weder desen namijddach mett sonneschijn, was thot mijtnacht gans stijl, namijtnacht begondet the weijen utten S O, wenden Eende gijnhen N N oest om thotten dach hadden desen voerleden dach die hoegte van 59 graden. (=ter hoogte van de Shetlandeilanden)

Junij

Wonsdach avond 1 Junij saghen wij smorghens fanerhijl N W van ons lijghen, saten ons koers N N oest om nae Hijtlant the Eende seijlden den mesten dach al langhes Hijtlant qwamen savons mette sonnen ondergangh Hijtlant voerbij. wij verpraijden deen Jenerael vragden ons schipper oeftt wij ock Eenijch dijnghen gebreck hadden wan water oeftt Eets ander oeftt wij In Jijtlant in wouden lopen, maer ons schipper gaeff thot antwoert dat die wijnt ons the goet was om daer inthe loepen. So seijlden wij voerbij. Wij saghen des savonts Een seijl daerbijkomende wast Joseves Botijen van Eenchuesen. snagts creghen wij Een N oester wijnt, saetten ons koers doen N N W.

Donderdach avond 2 dijto hadden wij noch Een N O wijnt, heelden die selve koers, namen desen dach wel Een 3 laest souwt water in ons leghe vaten, dat wij wat achterlastijch souden worden, was desen dach Een doncker locht met sagt koelte, naemijtnacht wordde die wijnt oest, ons koers was doen N N oest, kreghen Een weijnijch merder koelte theghen den dach.

Vrijdach avond 3 dijto hadden wij smorghens noch Een O wijnt, ons koers was noch N n O met passelijcke koelte, saghen desen morghen 2 hijllen in see swemmen, begonden met die middach wat merder the waijen, namen ons besoen Eende voermarsseijl In desen dach hebben ons maeten die harpoen lijnen Eende anckeren van dien claer gemackt, creghen nasenmijddach Een heelstijve koelte, namen ons groete marsseijl In, kreghen moetreghen deen mesten nacht met mijst, ons koers was N then O Dien wijnt O ende O then suijden, namen ons focke bonet ock aef.

Saterdach avond 4 Dijto ghijnghen wij smorghens noch die selve koers, hadden doncker mijst met weijnich reghen, begonde op den dach wat claerder the wordden ende die wijnt die rumde so dat wij ons hal(ff?)ssen ophalden, satten ons groet marsseijl daer weeder bij. worden de sonne liet sijch seen, namen ons hogte, ben?onden the hebben die hogte van 64 graden mijn 10 mijnuten, die wijnt S O, ons koers was N then oesten, wordde namijddach weder heel mijstich soo dat wij den jenerael met gusenbrock uttet gesijgt verloren, schoeten der salven Een schuet oefft. 2 met Een goetelijng. Dien ammerael schoet weder, theghen den avont worddet klaerder, kreghen den ander weeder int gesijgt, begonde mette avont veel the reghenen, saten ons koers N aen die wijnt, Leep S ende S S oest.

Sondach avond 5 Dijto hadden wij smorghens suijden wijnt, ons koers als voeren, was al mijstijch doen wij die vrokoest gegeten hadden, leep die wijnt W then N, halden die halssen the ghijnghen noch N om, creghen theghen die mijddach wat sonneschijn nochtans met mijst gemengt was, alden dach mijstijch Eende behelden die selve wijnt, helden die selve koers, saghen savons noch een hijlle in see swemmen, hadden sagte colte desen verleden dach Eende nacht

Mandach avond 6 Dijto hadden wij noch die selve wijnt, helden die selve koers, was noch al mijstijch met moetreghen ghemengt theghen dien mijddach begondet op the claeren, namen die hogte van 66 graden ende 20 mijuiten, hadden passelijcke coelte, saeten ons blijnde Eende voermarsseijl daer weder bij, waerde weder mijstijch, namen ons marsseijl met die blijnde weder in om dat wij vanden ander niet souden dwalen oeftt racken, saghen Een walwijs in see swemmen, die wijn scherepte, lep N W then westen, saghen desen nacht vel walvijssen, ons koers was N, die wijnt leep W ende west then suijden

dijnsdach avond 7 dijto, die wijnt wesenden W S W, ons koers NNW ende N then Westen met passelijcke coelte meit moijen voertgang met klaere locht maer weijnich sonneschijn, saghen ock sommijghe walvijssen, namen onsse hogte ende hadden die hoghte van 68 graden mijn 10 mijnuijten, desen ganssen dach hadden wij dieselve wijnt Eende heelden die selve koers, kreghen savons Een W wijnt. Inden nacht reghen thotten dach tho, kreghen doen Een S W wijnt.

wonsdach avond 8 dijto hadden wij smorghens noch reghen, helden noch die selve koers N N W, maer hadden gheen mijst, creghen metten mijddach Een storrem, namen al ons seijlen in behalven ons groet schoverseijl, dreven daer mede, laghen West gewent ende W then N, dreven so alden dach, thotten avont worddet wat klaerder, die reghen heelt op ende saghen wat sonneschijn savons ende die wijnt begonde Een weijnich the stijllen doen snagts heet Eerste karttijr ut was saeten wij ons focke scheverseijl daer weder bij ende saten ons koers N N W om die wijnt begonde W S W the waijen thotten dach met heel stijve koelte, begonde theghen dien dach weder Een storrem the waijen.

Donderdach avond 9 dijto hadden wij smorghens noch stijve voelte utten W ende W then Suijden, namen ons vocke weeder in, dreven met Een scheverseijl thotten mijddach the, laghen N ende NN oest gewent, doen nan=m heet weder watt aeff, satten ons vock Eende besaen daer weer bij, die wijnt lep N West mosten bijleghen, wenden Eende saeten ons koers W S W, was claer weder sonder mijst, hadden alsso met sonneschijn, namen ons hogte, bevonden the hebben die hogte van 71 graden 20 minuiten, wordde theghen den avont heel stijl, hadden wat snew met weijnijch voertgang, ons koers was theghen die avont S S West met stijlte maer ghen mijst, die wijndt woerdde s avons dent karttijr opgesteken waes oestelijck, satten ons koers doen rum-schoets W om ende W then S, maer die wijnt lep voert weder suijden, helden die selve koers, was desen dach verleden Eende nacht heel kouwt, ons besaen was stijff gevroeren.

Wrijdach avont 10 Dijto ghijnghen wij s morghens noch al W om met die halssen the met Eende S wijnt Eende S then oesten thotten mijddach gijnghen doen weeder N W om, wordde op den namijddach heel mijstijch, ghijnghen doen weder W then N om, Leijden so bij want wij vermoeden dat wij bijt Eeijlant waeren, saghen wel lommen vleghen ende veel walvijssen, namen ons blijnde besaen Eende beijde marsseijls In, dreven so met beijde schover seijlen,
Gijnghen ons koers W then N, heet vroer desen nacht seer, het ijs sat dijck omt want, was hel mijstijch, doen het Eerste karttijr utt was woerddet subijt klaer Eende wij saghen het Eeijlant met groete blijtschap the lovet van ons lijghen, ons koers was W then N, het lant lach S W van ons. Dien wij onder die hogte vant lant waeren, kreghen wij stijlte Eende dreven voert den helen nacht in stijlte.

Saterdach avont 11 Dijto seijlden wij alle den dach langhes hett Lant onder die hoogte vant lant met stijlte. Althemet qwame wat wijntz over heet lant, maer konden ghen koers setten ende hadden ghen vortgangh. Namijddach voer een sloep met vollijck van boert om the seen oeftter vijs ondert lant was the scheeten, namen harponen, lijnen, vijcktalij voer 8 daghen mede om walvijssen the vanghen, kreghen theghen den avont weijnijch koelte maer durde niet langhe, wordde stracks weeder stijl, dreven voert alden nacht met stijlte Eende claer weder.

Sondach avont 12 Dijto hadden wij s morghens moij claer weder ende groete stijlte, kreghen althemet  weijnich coelte maer weijnijch voertgang om die rede the krijghen. die wijnt was voermijddach W, namijddach N maer stijl,hordden 2 schueten met goetelijngen scheeten. wij vermoeden Dat Wijllem van Muijen met Wijbe Jans daer mosten sijn ondert Lant maer ghen seckerheijt. het worde savons hel mijstijch soo dat wij het Lant niet seen mochten. Letent so drijven mett die seijlen op die maegt thotten dach worde wat klaerder, saghen heett Lant heelden dae naer tho.

Mandach avont 13 Dijto helden wij on koers naet Lant, kreghen ons slop weder om boert, vernamen dat Wijllem van mijen enden Wijbe Jans Hopstock ende den Waterhont daer laghen, waren saterdachs daer op de rede gekomen met S W Soen, hadden al 7 walvijssen gevanghen. die Hornessen boskaijers hebben desen nacht ock Een geschoeten. Wij leten ons anckers vallen op 38 vadum waeters met S O soen.
Dijto helpen ons maetz(en?) Claes Joerijs vollijck Een vijs helpen doden.
mandach avont 13 Dijto Is ons sloep weeder van boert gevaeren? doen hett mijddachs mael gegheten was Eende ons ander slopen wordden mede claer gemacktom tho vijssen.
Dijto Is daer noch Een walvijs gedoet dat wijt vant schijp seen mochten ende Wijllem van Muijen, Hopstock gijnghen desen Avont noch tseijl van daer wij laghen, seijlden daer haer vijs Lach de daer geschoeten was, die wijnt was S S West met moij klaer weder creghen desen nacht ons sloep weeder om boert maer hadden ghen vijs geschoeten hadden om Een vast gewest maer sij hadden ghen hulpen mosten Laten lopen, creghen desen nacht 3 boskaijers in ons schijp van Thijs Hopstocken schijp.

dijnsdach avont 14 Dijto voer ons sloep smorghens weeder ut omtho vijsshen met die boskaijers voeren mede van boert met Een sloep om tho vijssen De wij van Hopstock Eende de Waterhont gekreghen hadden. Wij hadden nuw 2 slopen ut om tho vijssen.
Dijto voer ons schijpper met schuiten i? slop ende bock ock van boert om met Gusenbrock samen een vijs tho bogseren met ons beijde schepsvollijck naeden mijddach weer broghten hum? om Hornens boert hebben hum? dae voert ontweijdet voer just so volle als wij Daer van crijghen konden Eende wij brogten ons speck om boert Eende snedent daer Eende stackent in vaeten. het was desen dach moij weeder met moije sonneschijn die wijnt SW ende? W s W?, maer snaghtz worddet mijstijch ende begonde hart tho waijen, vroer desen nacht zeer. Die basqu(aer)s qwamen weeder om noert. claeghende dat nimants van die ander boskaijers met haer vijssen wouden, klagdent mede ande Jenerael.

Wonsdach avont 15 dijto weijdet smorghens heel stijff, ons vollijck souden anders den vijs die om Hornen sijn boert was voet gekentert hebben.
Dijto sont den Jenerael sijn Lutenant doer het stijff omhouden van osn schijpper om Wijllem van Muijens schijp hum? belastende dat hij soude schijcken dat wij so wel Baskaijers creghen als Een ander bij gebreck van dien soude de Jenerael daer anders In moeten verseen Eende dat so veer wij ghen Basku(aijer)s creghen souden dan on proefijt van die wijssen hebben Eende Jegelijck sijn deel gelijck de Jnstruxij vermelde.
Wijllem van Muijen qwam savons met den Lutenant An den Jenerael sijn boert, ons schijpper was mede Inden Jenerael maer konden noch ghen secke Reselutsij nemen. De Jenerael woude als morghen Hopstock met Claes Joerijs ontbeden om tho seen dat men alle dijnghen In vruntschap Ackordijrde soo voelle mogelijck was. Wij hadden desen dach Een stijve coelte utten WSW. Het was kout weder desen dach.
Wonsdach avont 15 Dijto met N W soon qwamen daer ock 2 Eengelssen schepen op die rede. Het Eene was Een kleijn Jagtijen, saeten boven wijntz van ons, qwamen voert met Een sloep Den Jenerael om boert, vragden oefft sij vrij mochten vijssen, creghen thot Antwort souden sanderdachs weder komen den Jenerael soude hum? goet Antwoert geven. Den Eengelsman was van Huel die verleden Jaer 8 man vant Jachtijen bargden.

donderdach avont 16 Dijto wast smorghens moij weeder, die wijnt sso, voeren met ons vollijck naer Hornens boert om die vijs tho kenteren Eende sneden voert het speck aeff Eende brogtent om boert. Den Eengelsman voerden Jenerael weeder om boert om consent tho vragen, cregen thot Antwort dat sij wel mochten vijssen, seijden theghen den Jenerael dat die beste telt noch vorhanden was om tho vijssen.
Dijto hefft ons scheman als harpenijr Een vijs geschoeten Eende voet gedoet.
Dijto omtrent wester soon qwamen daer noch mede 7 schepen op dee Reede, 5 van Dellefshaven? ondert beleijt als Jenerael Sr Arijaen Leversteijn van die masseschepen, de ander 2 schepen waeren van Vlijssijngen. Was desen dach moij beqwam weeder, was op dato In ons vloet geschoeten 30 vijssen.
Dijto kreghen wij ock die halve vijs barden om boert utte vijs die om Peter Jacops boet lach.
Dijto hefft ons scheman Brun Jansssen Een vijs geschoeten Eende voert gedoet Eende hunne? voert Indie baij gebrocht.
Noch de 16 dijto des savons laet omtrent N son qwamen de van Dellefshaven? Leversteijn den Jenerael om onssen Jenerael Jan Jacops Schropop boert Eende al ons schijppers van ons vloet wordden mede om boert ontboeden. daer Leijden sijt over om metten ander vredijch tho moghen vijssen Eende woerdde besloeten dat wij Een sloep souden uttmannen om thot hullep van leversteijn Eende die vijs de wij nuw na datum vanghen souden wij samen deelen vijs om vijs naer Lut ons Jnstruxij. het begonden desen nacht hart the waijen so dat Hornen doer gijngh most noch Een Ancker Laten vallen. Dijto smorghens voer ons slop van boert met Een Dutze harpenijr. ons Corperael woerdde van ons schijpper Daer als harpenijt Ingestelt maer qwam voer die reijs weder om boert.

vrijdach avond 17 dijto was het smorghens moij weder mett weijnijch coelte, die wijnt qwam utte zee maer onder seijls wesende woerdet heel stijl. De wijn lep om hebbent weer gesaet, namen ons seijl weeder in.
Dijto brogten wij ons sten Eende traenketels an Lant gebracht om aldaer tho planten om traen tho seden. namijddach hebben wij verseijlt mett den Jenerael bij de ander schepen, hebben ons Ancker latenvallen op 30 fadem waeters. Dijto hebben 4 boet(s?)en met leghe tho umen? an Lant gebracht.

Saterdach a 12 dijto was het smorghens moij weder setten ons kleij boven, namen alle dijnghen mede an Lant om ons ketels tho planten plancken thot die koelback ende kapbanck vorts om alle dijnghen tho setten wordde bademijddach sulken qwaden weder dat ons ancker doerr gijngh Eende dreven Een groet stuck om die hock, creghen vollijck van deen Jenerael tho hulpe soudrn Anders qwaet genoch gehaet hebben, hornen Eende Wijllem Cornelijsssen dreven ock duer maer qwamen haest voer haer Ancker weder op.
Dijto savons wordde ons koelback Rede Eende ons Een traenketel was mede verdijch, den andere niet ak? Rede voeren naer boet, doen wij an boert qwamen mende ons sturman dat ons ancker weder doer gijngh, wonden ons Ancker op, kreghen Een harden wijnt utten ONO so dat wij In sorrijg waren dat wij van die rede souden versteken wordden. Wij hadden 4 slopen achter an, kreghen so met groete moijtte In het weer nam aeff ende wordde stijller.

sondach avont 19 dijto weijdet noch al stijff maer wij qwamen mett SSO soen weeder op dee Reede de heer sij loeff Reghende desen morghen veel Eende begonde weder stijff tho wwaijen mett sware storrem utten ONO ons Ancker gijngh weeder doer waren In sorrijch om den Jenerael voer die boch?k tho drijuenmaer wij vijrden so voel boet dat ons schijp weder voet ancker op qwam. wij worpen het loet hadden 80 fadem watters schoeten ons beijde stenghen doer het wede nam mett die W son? aeff ende die son brack due Eende begonde moij tho schijnen.
Dijto dreven ock 2 schepen van Delleffhaven Due mett Een Eengelsman
Dijto voer ons schipper den Jenerael an boert om mett hum tho sprecken van weghen peter Jackops Gusenbrock Don wij ondet Lant waren was het besloeten datt Dat wij dee vijssen die wij met ons beijden vanghen metten ander souden delen vijs om vijs maer sijn vollijck wat mer vanghende was onwijllijch docht Een Jegelijck mocht sijn vijs selven vanghen dat een Jgelijck vanck was voer sijn Eeijghen scheps Ladijnghe maer de Jenerael verstondet Anders dat wij met die gansse vloet souden delen nadenmael wij ghen bakhus Een hadden ons schijpper voer voert om Peeter Jacops boert Eende  daer besloeten se met haer 3 schijppers dat wij metten Ander souden vijsschen metten ander traen kocken die vijs malkander helpen kenteren? de ander behulpijch tho sin des souden ons schijpper die derde slop utt senden wellijck dato gedaen worde daer worde ons corperael Als harpnijr Ingestelt hadden nuw 15 van ons beste vollijck Inde slopen so dat ons schijpper doer noet met gusenbrock moesten ackerdijren dat wij samen h?k?ochten hadden wij vollijck genoch gehat wij hadden ons wenijch? werrijck? Allen moghen doen so hebben wij met ons beijden traen gekockt ende traen vanden  ander gedelt Worde mede besloeten dat men muijen Just? voel macken soude dan souden hij ons weder helpen maer daer Is niet van gevallen Wijllem hefft met sijn Eeijghen vollijvk traen gekockt Sij hadden over de 70 man met boskaijers Eende al
Dijto hefft ons vollijck Een vijs van sormens beet gehalt Eende Indie baije gebracht
Dijto sijnt ons slopen weder boert gevaeren om tho vijssen

Mandach v. 20 Dijto hebben wij smorghens ons Ancker weeder op gewonden om wat naeder het Lant tho setteen want wij hadden bij de 2 1/2 thouw utt was hel stijl so dat wij naet Lant bogsert worden leten ons Ancker weeder vallen thussen den Jenerael ende Wijllem van Muijen op 40 vadem waeters
Dijto bijnnen wij met mest al ons scheeps vollijck naer Lant gevaeren om voert al ons goetijen   klaer tho macken ons ketel kapbanck kreghen mett NW soen klaer qwamen met gelijcken amn weder om boert was desen dach moij weder

dijngsdach a 21 dijto was het smorghens moij stijl weder dan mijstich voeren an Lant om Jijns tho scheren qwamen savons weder an boert hadden alle dijnghen rede gemackt
Dijto hefft ons scheman Een Jan Duvel van hornen met haer beijden om Een vijs vast gewest Eende stacken hum vast met Lensen ons scheman stack hum onder sijn vijnne met Een Lense met Als hij die steck cregh slog hij ons slop mest In stucken Een van ons maeten veel In Zee die hornes maeten mosten bot vijren om ons vollijck tho barghen Eende die vijs mostense slupen
Was desen dach mijstijg met wat reghen ende stijll die wijnt SO

Wonsdach a 22 Dijto sijnde smorghens noch al mijstijch bijnnen wij samen mestelijck naer Lant gevaeren om the Arbeijden om tho kappen Eende traen tho seden hebben desen dach al ons dijnghen gerett gekreghen mette Mijddach hebben wij begijnnen tho kappen Eende traen begijnnen tho seden Gusenbrock Ende wij tho samen want wij niet vollijck genoch hadden om ons ketels Int werrijck tho houden hebben mede Een tente op Lant geaet omt vollijck In tho slapen

Donderdach 23 dijto hebben wij smorghens met al dat follijck dat wij mijssen konnen naer Lant gevaeren met bultsack ende alle kocks comalij want op dat wij moghten steuijg in ons weijch  voet gaen
Dijto hefft ons scheman Een vijs geschoten Eende In behouwt gebrogt Inde baije
Dijto heftt ons corperael ock Een vijs gedott die van Muijens baskas Inde baije gebragt is

vrijdach a 24 dijto hadden wij smorghens moij weeder Eende kochten al vrij om met beijde ketels qwamen sommijghe vijssen dijgt voer die wal maer worden mest van die mastte baskus geschoeten
Dijto snaghts qwamder mede nocj Een Eengels schijp op die Rede seden datse van Londen waeren qwamen voert bij deen Jenerael om daer mede te Ackordijren
Dijto hefft Wijbe Jans van ontk? 6 halve vaeten traen want het hum andie Ladijnghen soo tho pas qwam

Saterdach a 25 dijto hadden wij al moij weeder deen ganssen dach wordde bij den Jenerael besloeten dat wij sommijghe slopen souden aefs?uijden want hem docht dat die boskaijers voert ons Ladijnghe wel souden vanghen Eende wij on vollijck dubbel van doen hadden
Dijto hebben wij ons boskaijers ock aeffgeanckt EEnde weder om Hopstocks boert gesonden om dat se met hum gekomen waeren
Dijto heeft den Jenerael Een van ons slopen An sijn boert gehalt om tho gebrucken Int vaeren omdat sijn bock hum tho swaer was om so an Lant mede tho vaeren
dijto Is het Jachttijen de oranijbom van die Rede tseijl gegheen om naet vaderlant tho seijlen
Dijto Is Cappeteijn Peeter Corstens van Rotterdam hijr ant Eijlant op die Redee gekomen wellijck mett die van Londen in Compenij was desen lesten Eenghelsman woude tho dunkerijck so als sijn vollijck seijlen
Dijto Is daer mede Een busijen van die maste scheppen verseijlt om Eeijlanden tho socken

Sondach a 26 dijto sijnnen smorghens sijnnen die 2 Eengelse schepen weder tseijl geghaen op een ander plaets wat bett om die hock om tho vijssen naer dat sij mett den Jenerael geackoprdijrt waeren In presensij van Sr Lemesteijn eende peeter Jacops gusenbroeck Dat sij ons die hellefft van haer vijs soude geven sie sij vonghen mette mijddach bijgondet hart tho waijen Eende op dien dach al hardder so dat wij nodijch bevonden 10 van ons Clockste maetes naer boert souden want het stijve begon tho waijen so dat wij op Lant niet conden bedrijven met vijs tho kenteren oefft Eets anders mostenock ons beijde ketels opbteken om dat die vnsters? soo seer geboghen waeren Eende weijde voet Een storrem utten ONO weijde snagts al stijve soo dat die vijs voel om Lant dreff

Mandach a 27 Dijto weijdet nosch Een storrem utten ONO so dat Wijllem van Muijen doer dreff Eende Een schijp utte maes saghen ock wel sommijghe wijs drijven maer conden niet berghen dreven voel langhs hett strant Eende sommijghe In zee wonden desen dach sommijghe baerden utt ende mackt die schoen heet weder begonde thegen den Avont wat oeftthe nemen maer conden noch niet an boert aeff van boert sonder Prijckel comen snagts woerdet noch wat stijlder

Dijngsdach a 28 dijto namijddach qwamen ons vollijck weer an Lant hett weer waes wat beeter begonden weer speck the snijden sommijghe van ons vijs wat Angewonden die begonnen was begonnen weder traen tho sieden maer het warrijck Conde niet volkomen voert gaen omdat wij bij die vijs niet conden komen na ons wijlle begonde snagts weeder haerttho waijen utten NOosten

Wonsdach a 29 dijto weijdet smorghens weder stijff ende wij conden bij gheen vijs komen om tho snijden so duer de hardde wijnt souden wij 11 van ons maets weer an boert so dat ons werrijck gans ghen voertgang hadde weijde voert alden dach Eende nacgt Een swaren storrem Eende het water vloide heel hoghe dat wij ons vaeten met gekockten traen weel 2 laghen moesten oprollen dreven ock die barde uiit vijs so datt groete schade geschede wij hadden op dato 100 oxhoeffden traen sneude mest al den dach Eende nacht

donderdach a 30 dijtoweijdet noch Al Eenen stijff uttenNNOosten Eende hadden veel sneuw alden dach Eende dach Eende nacht 2 maesse schepen mackten maelkander heel schaeloos dreven malkander op lijff waeren mede in groete sorrijgh van ons schijp maer die heer sij loeff hadden ghen schade

vrijdach a 1 dijto was heet smorghens noch hardde wijnt die Lantzee gijnck noch haert bijt Lant Eende heett water vloijde noch hog wel 8 voeten hogher als ordijnarijs qwamen sommijghe vijssen drughe op hett lant dat doer die lantzee so haert theghen hett lant gijngh wordde mette mijddach wat stijller ons vollijck qwam weer an Lant Wijllem van Muijens vollijck brogtten dese dach 2 vijssen In die bou diese geschooten hadde de? savons qwam muijen sijn schijp Eende ons schijp een ander voer die boch maer qwamen weder vrij sonder weijnich schaede die heer sij loeff leten 12 man van lant naar boot vaeren om tho redden so veel moghelijck waes die wijnt ONO

saterdach a 2 dijto begondett weer stijver tho waijen so dat ons vollijck van den ganssen Dach niet an Lant qwam saghen wel veel vijs andet Lant maer was ghen wer om van Lant tho vaeren voor die baskus Het water gijngh tho hoel was couwt weder desen dach die wijnt ONO

sondach a 3 dijto was het smorghens moij weder die wijnt weijde so hart niet  als sij gedaen hadde maer was doncker mijstijg namijddach weijdet weer stijff moesten van traen sieden ophouden daer orsacke dat wij ghen koelen an Lsnt conde krijghen vant schijp mackten ons koolback schoen weijde alden nacht noch stijff dan thegen dien dach begond het watt tho stijllen

mandach a 4 dijto was hett moij weder qwam ons vollijck an Lant brogten coelen begonden weder klock traen tho sijeden Die Jenerael sont sijn Lutenant an Lant gaeff consent dat hornen Eende wij wel mede moghten speck In vaeten stecken om vijs boet tho kenteren want wij niet hopen gehoch hadden om al ons traen vaten tho versijen naert behoeren thot provit vande compenij moesten ock ons vollijck doen verdielen want wij ock traen mosten schepen so dat wij ander maets op die vijs mosten setten thosuijden hadden gheen leerssen soo hefft die schijpper sijn leerssen wellijck nuw waeren van sijn benen getrocken ende die maets gedaen costen hum 5 gl versocht onsschijppere ock an dien Jenerael om Een 10 maen utt sijn schijp tho moghen hebben om ons schijp tho helpen laden vijs tho helpen snijden creghen desen dach ock 2 walvijssen In de baij In ons s?Compenij van drie schepen kreghen ock sommijghe hopen an Lant

Dijncksdach 5 dijto creghen wij acht man utt dien Jenerael om ons tho helpen laden kreghen desen dach Een paertij traen Eende baerdden an boert van lant aeff begonde weder wat haert tho waijen was ander klaer weder die wijnt S West
Dijto savons voer Abraham Leversteijn mett Een busijen met traen geladen naet vaderlant

Wonsdach a 6 dijto weijdet noch al stijff soo dat wij desen dach niet conden bedrijven met traen laden die zee gijnck tho hool waer lede voer schade die wijnt was noch SW sneude ock desen nacht
Dijto ijs met Leversteijn die vijs gedelt die langs het lant gedreven was

Donderdach a 7 Dijto was het smorghens moij weder noch met wat stijve coelte maer het wer nam aeff Eende wordde stijll wij creghen desen dach al ons gesoeden traen an boert met Eennijghe baerden

Vrijdach a 8 dijto was het stijl ons vollijck voerden alden dach koolen An lant worde wat qwestij thussen ons compenij Eende Sr. Leversteijn van Woghen sommijghe baerden die sij souden van sijn baskus an boert laeten brenghen hebben so wij van secker luden verstaen jadden boven sijn kontrackt liet dier halven dien Jenerael sijn schijp vijsentijren doer sijn Luitenant

Saterdach a 9 dijto was het smorghens moij weder die wijnt versabel brogten Desen dach al ons coelen an Lant kreghen In desen dach 4 walvijssen met ons 3 schepen
Dijto voer Peeter Jacops Gussenbrock met dien Jenerael om die vijssen tho besijgtijghen die Langs Lant mett heet harde weer gedreven was om die tho thellen
Dijto hefft ons schijpper die 8 maets weder aeffdackt die wij van dien Jenerael hadden wellijck wij nuw 5 daghen inden arbeijt gehaet hadden
Dijto vijsten wij veel baerden uttet waeter die met hett qwade weeder utgespelt waeren

Sondach a 10 Dijto was heet smorghens moij weeder mett stijlte die mesten dach die wijnt utten oesten Eende O then N scheepten desen dach ock Eenijghen traen
Dijto hefft dien Jenerael speck begijnnen tho snijden van sommijghe vijs die Langhes heeft Lant gedreven was thot dienst vandie Compenij
Dijto hebben wij 3 vijssen Indie baij gekreghen voer ons 3 schepen Wijllem van Muijen hornen Eende wij
dijto borste Eende vijs van Sr Leversteijn ende verserde vollijck die ande Ingewant van die vijs qwamen tho lijghen

Mandach a 11 dijto was het smorghens Redelijck weder creghen diesen dach ock Een vijs Indie baij soden redelijck traen desen dach
Dijto voer die Lutenant van Schropop mett Peeter Jacops gussenbrock om Sr. Leversteijns boet om Eenijghe baerden utt sijn schijp tho haelen die daer Dwellijck In versien was Int Inschepen doer dat het van die vijs was die langhes het Lant gedreven was

Dijnsdach 12 dijto was het donckerachtijg weeder met sneuw
dijto hebben wij noch Een ketel geplant van klijpsten daer dat wij ghen ander sten hadden want wij hadden wel 7 oefft 8 hondert stens moeten lenen thot die 2 anders ketels tho planten
dijto is daer Een vijs Indie bay gekomen van die Langhes het Lant gedreven laghen maer niet wetende van wellijcks loett dat sij was
Dijto hebben wij ock Eenijghe traen anboert gekreghen was kouwt weder desen dach mett sneuw gemengt

wonsdach a 13 dijto hadden wij moij weder mett Eenijghe sonneschijn met saghte koelte hebben sommijghe baerden geschept
Dijto is ons vollijck mett die bock utgevaeen mett hornens vollijck om speck tho snijden van die vijs Die langhes hett Lant gedreven was qwamen snagts weeder met heett boet vol speck
dijto hebben wij mett ons derde ketel begijnnen traen tho kocken creghen mede Eenijghe bardde schep

donderdach a 14 dijto was hett smorghens donckerachtijgh weder begonde theghen den mijddach hart tho waijen utten S W ende West S West maer worde wat stijller thot theghen den avont begondet weder so hart tho waijen dat wij ons werrijck moesten laeten staen namijtnacht worddet wat stijller begonde weeder speck tho snijden Eende traen koocken wijnt S W

vrijdach a 15 dijto was heet smorghens Redelijck beqwam weeder so dat wij vrij weder anden arbeijt waren ons slop qwam weder an bort voeren weder mette mats van hornen met ons slop Eende bock om speck tho snijden van die vijs die langhes het alnt lach qwam weeder Een harden wijnt soo dat die lantzee so hart an qwam dat wij ons werrijck moesten laeten staen die vijs dreff thegen heet lant heel schadeloos saghen hoet mett droefheijt an maer houden gehn hulep doen snacgts qwamen ons maets weder van die vijs daer sij speck van gesneden hadden waeren In groet Prijckel om haer lijff tho verlesen konden haer ghen hulpe doen maer qwamen then lesten noch behouden am Lant die bock creghen wij an lant meet die slop voeren sij weeder an boert Inder naght die wijnt W S S

saterdach a 16 dijto weijdet noch die selve wijnt donckerachtijgh weer die lantzee gijnck noch vrij hart men wij hadden niet noch wat speck dat onssen Arbeijt voertgijngh
Dijto voer weder Een van die masse schepennaet vaderlant tho
Dijto is daer noch Een man van orloghe op die Reede gekomen genamt Anthonij Capteijn van Amsterdam

Sondach a 17 dijto was heet noch Al wijndich weeder maer niet soo hart beghonde weder vrij vis ondet lant tho laten sien
Dijto bijnnen wij van Sr Leversteijn gescheijden om niet mer samen In compenij tho vijssen wat vortaen Een Iegelijck sijn baskus vanghen dat soude hij behouden was noch Eenijghe vijs In qwestij met sommijghe baerden van vijs Wijllem van Muijen hefft met hum geackordijrt In Presenzij van den Jenerael dat hij een nuw gevanghen vijs soude hebben mett twee vijs baerden des souden wij Een vijs van Hopstock weeder hebben van die thijs Hopstock Ende Claes Jorijs geckockt hadden die ons hellefft tho qwam
Dijto is daer moij vijs gevanghen dijgt bij die baije datt wijt ansaghen vant lant hel gemacklijck
dijto creghen wij 2 vijssen Indie baije

Mandach a 18 dijto was heet moij srijl beqwam weeder kreghen desen dach vel traen an boert van lant
Dijto kreghen wij 4 vijssen Indie baij die nuws geschoten waeren Eende daer verthonde hum noch vel vijs ondert lant was moij weder desen dach wijnt SW
Dijto kregh dien Eengelsman van hul ock Een vijs die sij geschoten hadde

dijngsdach a 19 dijto was heet ock beqwam weeder ons maets halden Een 1/2 vijs baerden t schep
Dijto creghen wij 6 maen utten Jenerael om ons vollijck tho helpen laden watervatten uttho setten voerts goet van lant tho helpen halen thot dienst vandie compenij
dijto creghen wij noch Een vijs Indie baij ende dien man van hul kregh ock noch een vijs
Dijto cregh wijllem van Muijen 25 leghe oxhooffden van ons

wonsdachs a 20 dijto was heet moij weeder wij schpten voert barden Eende broghten leghen vaeten voerts an lant creghen desen dach vort 2 vijssen een van Hopstock baskus Eende Een hadden hornens vollijck gevanghen
Dijto is hett besloeten bij den Jenerael met Wijllem van Claes Jorijs Eende Hopstock dat sij ons voerden twede vijs souden geven 80 oxhoeffden traen mijts dat wij him die leghe vaten souden senden
Dijto gijngh Jacop Leversteijn ock naet vaderlant tseijl

donderdach a 21 dijto hebben ons maets mett die masts van hornen die vijfftijgh Leghe vaeten oefft oxhoeffden In hopstocks baije gebracht Daer sij soeden
Dijto hebbenwij baerden met gusenbrock gedelt Eende hebbense voert Indie baij gebracht Leets hum noch Al sommijghe vijs seen voer die baij Eende worde ock noch al sommijghe gevanghen

vrijdach a 22 dijto was het moij stijl weeder ons maets broghten Al baerden schep
Dijto wouwde Peeter Jacops die slopen aen die wal houden menende Dat wij vijs genoch hadden dan sij hadden noch Een vijs buijten die baij Lijghen ende souden noch gerne Een vijs geschoeten hebben hett wellijck sij desen nacht noch dieden
Dijto met moij claer sonneschijn weeder hefft een van die baskus van Leversteijn die hoghte genomen bevonden tho hebben die hochte van 71 graden mijn 10 mijnuijten mest op die suit hock vant Lant In presensij van Wijllem van Muijen gusenbrock ende hertijen Jans ons schipper

Saterdach a 23 dijto was hett smorgehns moij weeder dan heet weijde tho hart om tho vloeten werdde mette mijddach stijller
Dijto crech Wijllem van nuijen sijnen lesten traen schep schoet Een schoet doen die Leste thonne Aver was
Dijto creghen wij een man op die vijs om tho snijden van Wijllem van muijen daer hornen Eende wij qwalijck van verzeen was dies worddet gemackt dat sij thot Een vereerijnghe hebben boven sijn mantgelt 18 gulden

sondach a 24 dijto was heet donckerachtijgh weeder met stijlte utten SW
dijto hebben wij Een diel traen geschept
Dijto theghen den avont qwam dat busijn weeder van die maes dat om Eeijlanden tho soecken utt gewest hadde
Dijto Is Wijllem van Muijen des snachtz meet stijlte seijl geghaen maer kreghen theghen den dach Een topseijl

mandach a 25 dijto beghondet smorghens hart tho waijen so dat wij niet conden vloeten maer weijde den gansse dach stijff utten SSO Dat wij In sorghe waren om duer tho ghaen maer ons ancker hijelt noch
Daer gijngh Een busijn van die Maes duer dat konde die Rede niet wel weder crijghen De colte durde deen ganssen nacht

dijngsdach a 26 dijto weijdet noch Een storrem utten S Oesten Eende daer gijngh 7 schepen duer als capteijn Anthonij Peeter Korsten hopstock den waterhont die hornesman Leversteijns groete schijp met Een vlijssijnghe die vijssen worden hoch thegen het Lant gespult hoghe op het Lant doer die Lantze ons slop die wij achter an hadden worde die steven utgeruckt Eende wordde voert vandie see Een stucken geslaghen

wonsdach a 27 dijto weijdet smorghens noch al stijjff dan soo hart niet als dien vorijghen dach begonde mette mijddach watt tho stijllen ons maetz voeren an Lant brochten eennijghe traen an boert
Dijto begonde ons vollijck an Lant speck In vatten tho stecken Doer gebreck dat wij ghen hopen meer Een hadden

donderdach 28 dijto was hett redelijck hansam weeder hebben ons maetz dapper In die weer gewest met vloeten brogten wel baerden Eende traen Een speck an boet dat opt Lant In vaeten gestoken was

vrijdach a dijto wast noch moij weeder brogten ons vollijck voel speck an boert In hele Eende halve vaeten wordde thoghen die Avont so doncker dat wij qwalijck Een schijps Langhte van ons konden zeen

Saterdach a 30 dijto weijdet weeder hart utten S W so dat ons maetz niet van boert waren om Ietz tho haelen want heet woij stijff utten S W

sondach a 31 dijto beghondie die wijnt Althomet wat tho stijllen ons maetz voeren weder naer Lant tho Eende Anthonij die Capteijn van orloghe sont ons sijn schuete mett vollijck tho hulpe brochten desen dach voel baerden An boert met 75 oxhoeffden speck In heele Eende halve vaeten was Den gansse dach moij weder

Augustij

mondach a 1 dijto hadden wij moij claer weeder ons maetz brochten een deel leghe vaeten an Lant om vars waeter voer die kock In tho halen
Dijto was ons specksnijden opt Lant gedaen waeren Al ons vaeten voel
ons vollijck brogten ock noch Een deel speck In vaeten an boert

dijngsdach a 2 dijto hadden wij noch al moij weder ons maetz brogten voer ijrst ons traenketels an boert Eende broghten voertz waeter an boert Eende vijsten voert barden Laden dach Eende brghten an boert so dat daer den ganssen dach mede donde waeren was moij beqwam weeder desen ganssen dach
dijto ij daer Een van die vlijssijnghe boetijes tseijl geghaen dat kleijnste van beijden

Wonsdach a 3 dijto hebben ons vollijck noch donde gewest deen gansse dach donde gewest om baerden tho vijssen die kock halde ock Een deel barrenhouwt an boert ons vollijck bracken savons die groet thentte daer ons maets Ingeslapen hadden die an Lant arbeijt hadden qwamen mest an boert op 5 oefft 6 man naer die slepen Inden kocks cumbuijs
Dijto hebben wij die 6 man van de Jenerael Aeffgedanckt Eende hadden bij ons gewest 16 daghen

donderdach a 4 dijto was ons ?vollijck noch Al donde gewest om baerden tho vijssen was moij weder desen dach
Dijto hebben wij 17 oxhoeffden traen ontf(angen) van hopstock Eende Claes Jorijs van die 25 die ons qwam
Dijto Is daer Een Eengelsman tseijl geghaen Die van Londen was

vrijdach a 5 dijto hebben wij des smorghens noch 6 oxhoeffden traen van hopstocks baij gehalt was dese morghen heel mijstijch theghen den mijddach klaerdet wat op schoeten doen Een schuet thott Een teijcken dat wij ons laest In hadden Creghen al sommijghe sechen Int schijp
Dijto hadden Claes Jorijs Eende Thijs hopstock ock haer laest In bracken haer goet an Lant Allegaer op schoeten ock hellijck Een schoet

saterdach a 6 dijto smorghens Is wijbe Jans met noch Een fluijt op die suithock vant lant op die Rede gekomen
Is mett Een sloep Den Jenerael an boert gekomen voertz ontboet den Jenerael aldie schijppers an boert belastende haer mett ghelijcke man om die vluijte tho helpen voel vijssen Een Iegelijck mett sijn scheps vollijck Die schijppers mett haer vollijck daer van spreckende ons schijpper mett sijn vollijck die ander schijppers met haer vollijck waeren die bootzgesellen daer gans niet tho gesijnt seijden dat sij haer Eett voldaen hadden In haer Eeijghen schepen tho laden daer In haer beste gedaen seghende dat haer kleren aeffgesleten waeren mest over boert gesmeten wouden derhalve daer met vruntschap oefft wijlle niet om ons schijpper presentijrde ons vollijck dat hij seleff novens haer opt Lant wouw sijn maer wouden so niet verstaen
Dijto Is Peeter Corsten Thijs hopstock Ende Claes Jorijs tseijl gehaen wat beete na die sutpunt vant Lant was desen dach mijstijch met stijlte maer snachts hadden wij klaer weder
Dijto Is Wijbe Jans met die fluijt ock op die Reede gekomen van daer wij laghen Eende hebben daer haer ancker laten vallen
Dijto ijs die vlijssijnghe man bij den Jenerael ontboden Eende voertz van den Jenerael an boert gehouden eende vollijck van orloghe In sijn schijp gesonden

sondach a 7 dijto Is ons schijpper met gusenbrock van horne vroch anden Jenerael gevaeren om sijn Resulutzij tho hoeren Eer ons schijpper daer an boert voer hefft hij Alons maetz boven ontboeden op verdeck haer alle samtlijck voerhoudende woe dat sij van sijnne waren oeffte sij die vluijte wouden helpen vol laden oefft niet sij antworden gelijcklijck nee dat sij niet van sijn waeren om an Lant tho Arbeijden want sij verstonden dat sij haer Eet voldaen hadden
Don ons schijpper mett die hornesse schijpper deen Jenerael an boert qwamen hadde sum dien Jenerael ock anders bedocht docht sum mede ongeraden die geladen schepen daer tho souden op sulken barre Reede doch wordde utgestelt thott datt die ander schepen mede op die rede waren als hopstock Eende Claes Joerijsse
Dijto Is ons schijpper an Lant gevaeren met Peter Jacops gusenbrock om Een Iegelijck Een wapen op hett Lant tho setten van die h staeten ther plaetzen daer wij traen gesoden hadden
ons schijpper qwalijck Een ur van boert gewest ontboet Den Jenerael die schijppers an boert ons bock worde naer Lant gesonden om die schijpper die weet tho doen die schijppers voeren an den Jenerael qwamen haest weder an boert worde besloeten dat wij ancker samen soud lijckten Eende seijlen na die suitpunt vant Lant gelijck wij ock deden Eende was wester son soen wijt seijl gijnghen qwamen daer savons oefft snagtz mett N N oester soen
Dijto Is den Jenerael van die 5 maesse schepen van die rede tseijl geghaen met sijn 2 schepen naert vaderlant lep na die noerthock vant Lant om bovent Lant tho sijn Wijbe Jans mett die fluijte bijnnen daer blijven lijghen In die baij oefft In Wijck daer wij gheleghen hadden wij mett die ander schepen creghen nuwen herijnck met vijen? Eende worttels van Wijbe tho ververssijnghe wijbe Jans cregh Een thonnen grutten van ons

Mandach a 8 dijto omtrent mijddach leet den Jenerael de flack Achter aeff waijen Eende schoet Een schoett Die schijppers met die Cappeteijnen van orloghe bijn An den Jenerael om boert gevaeren ende Is besloeten dat wij souden tseijl ghaen naet vader Lant met ons 7 schepen tho weeten 2 van orloghe Eende 2 utte maes als hopstock Eende Claes Jorijs hornen Eende wij van Eenckuesen met heet vlijssijnghe boet Anthonij Capteijn was Jenerael Eende Peeter Corsten was vijzadmerael Eende wij van Eenchuesen schouwt bij nacht
Die vlijssijngher schijpper was In Anthonij wij gijngh omtrent mijtnacht van daer wonden ons Ancker op Lietent so drijven Langhes heyt Lant mett die besaen op omt Lant boven tho komen die wijnt was S S West dreven N then Oesten sijnde snachts heel mijstjch weder

dijngsdach a 9 dijto waeren wij smorghens noch al bijt lant dreven daer noch al langhes nademijddach doen wijt lant quijt waren lepen wij West over Eende satten ons schoverseijls met ons marsseijls daer bij Eende wij bijnnen den nacht verleden thijs hopstock daer die mijst uttet gesijcht qwijt geworden savons hebben wij weeder gewent ende saeten ons koers S O om lepen so voet alden nacht worden snagtz weeder heel mijstijch so dat wij ghen van die Ander schepen konden sien

wonsdach a 10 dijto was het smorghens noch al Eeven mijstijch Eende saghen noch ghen schepen seelden noch sie selve koers hadden Een S wijnt saghen ghen schepen vandie Ander vloet dan nadenmijddach creghen wij die waterhont In gesijghte maer ghen schepen mer wordde wat klaer weeder maer hett durde niet Langhe worde weer mijstijch met Reghen die wijnt leep west theghen dien Avont Eende wij gijnghen S S oest om snachtz begondet stijff tho colen namen ons marsseijls besaen In mett hett mett hett vocke bonett dreven so mett schone seijlen laghe S gewent Eende S S oost

donderdach a 11 dijto weijdet noch Een vlegende storrem utten west suit west ende utten S W dreven alden dach noch met ons schonerseijlen Dan thegen den Avont namt weer wat aeff saten ons marsseijls daer weder bij mett die besaen seijlden snagtz ons groette marsse rae In stucken waren daer voetz alle Den nacht mede donde om tho macken begonde theghen den dach wat stijve tho waijen

vrijdach a 12 dijto wast smorghens wijndich doncker weeder Die wijnt west Ende W suijt West ons koers was S ende S then oesten Dien wijnt begon rume tho wordden halden ons halsse? op maer wij creghen Een storren dat wij ons groet marsseijl niet weeder bij satten namen ons besaen ock In ons koers was suijden die wijnt W N W seijlden alden nacht bij mett het vocke bonett hett wordde heel moij weeder die wijnt N W

saterdach a 13 dijto hadden wij noch die selve wijnt gijnghen noch S om wonden ons groete rae op saten ons marsseijl daer bij hadde schonen voertgangh was doncker Achtijgh weder namen ons besaen In die wijnt scheepte lep west daer naer west then suiden saeten die halsse tho namen die blijnde In satten die basaen weder bij

sondach a 14 dijto was het smorghens noch donckerachtich weeder mett weijnich reegen gemengt die wijnt rumde leep west N W satten ons blijnde daer bij die son begonde tho schijnen namen die hogthe bevonden die tho hebben die hoghte van 65 graden 10 mijnuiten begonde wat stijve tho waijen ons koers W S then oesten eende suijt suijt oest

mandach a 15 dijto was die wijnt W coelde stijff starcke vortgangh was smorghens wat mijstigh thrgrn den mijddach hadden wij soen maer nietz tho klaer namen die hoghte bevonden tho hebben die hoghte van 62 graden 42 minuiten ons koers was Den gansse dach S ende S then oesten met moijen voertgangh

dingsdach a 16 dijto hadden wij smorghens noch Een N Wester wijnt Lep daer naer N ende N then Westen was smorghens claer weder woorde daer naer mijstijch ons koers S then O thegehn den mijddach saghen wij norweghen tho lovet van ons lijghen lepen Een weijnijch daer naer tho dat ons stuerman heet lant verkenden dijghen daer weeder ons ouwde koers naet vaderlant tho mett moijen voertgangh alden dach Eende nacht

wonsdach a 17 dijto was het noch al moij weder Eende hadden moijen vortgangh saten doen ons koers suiden Eende suiden then westen die wijnt NN west doen wij het mijddach mael gegheten hadden saghen ons maetz utte mars 3 schepen achter ons komen ghijnghen mede ons koers vermoeden dat het van ons vloet was smetent op de lij Eende wachtensse In qwamen thegen den avont bij ons was Cappeteijn Anthonij met Peeter Jacops van horne Eende het vlijssijngher botijen hadden dese dach Eende nacht stijve voertgangh

donderdach a 12 dijto hadden wij noch al stijve coelte mett moijen voertgangh theghen den Avont wordet stijller wij gijnghe noch S then oesten om snagtz doen heet twede karttijr des snagtz opgesteken wordde creghen wij S S Weste wijnt halden die halsse tho gijnghe doen oest suijt oest an worpen hett loet hadden 35 vadem waeter

vrijdach a 19 dijto helden wij noch die selve koers Eende hadden die selve wijnt was klaer weder ons sturman nam die hoghte bevonden tho hebben die hoghte van 55 graden wenden theghen die Avont lepen west over ende west suit west worpen het loet ende4 hadden 20 vadem waters gijsten op dockersant tho wesen

saterdach a 20 dijto hadden wij noch een suijden wijnt ende S suijden then oesten ons koers was S S West Den mesten dach die wijnt begonde daer naer tho oostelijcken gijnghe doen suit west ende S West then suijden begonde hartt tho waijen namen ons marsseijls In met het besaen seijlden also met 2 schoverseijlen saeten daer naer ons besaen weeder bij heelden alden nacht die selve koers

sondach a 21 dijto hebben wij smorghens gewent ende satten ons koers doen S then oesten om mett een oesten wijnt lepen soo thotten mijdach over die wijnt leep weder S S oeste ghijnghen doen S West om was namijddach mijstijg met weijnich reghen gemengt gijng sagt voert dese dach

mandach a 22 dijto hebben wij smorghens een oest noert oesten wijnt mett passelijcke koelte mett doncker locht creghen naden mijddach theghen deen Een stijve N W wijnt met sware reghen hadden savons Een vlegende storrem dat wij al ons seijls moesten Innemen dreven mett een schoverseijl al den nacht thotten dach tho die wijnt heel al den nacht ab wij laghen W gewentt Eende hornen verloeren wij uttet gesicht doer die donckerheijt

dijnsdach a 23 dijto nam het weeder Een weijnich aeff hebben gewent saeten ons koers N oest die wijnt noch als voeren eende N N W saeten ons vock Eende besaen daer bij ghijnghen die koers thot savons dat wij eeten hadden gijnghen doen mett ons svoverseijlen ende besa(doorgekrast) suit oest an Eende suit oest then suijden thott dat snachts dat 2 kaertijr opgesteken was satten doen ons marsseijls Eende blijnde daer bij seelden die selve koers thotten dach tho

wonsdach a 24 Augustij hebben wij smorghens noch ons koers suijt oest then suijden angheghaen hebben hett Lant Int gesicht gekreghen omtrent suit oostersoen bijnnen naet Lant tho gelepen doen wij het Lant verkenden sach ons loetz met die sturman Dat wij Recht voer gaetz waren bijnnen mett S S Wester soen het spanijers gat Inghelopen Die wijnt sijnde noch nordden Eende N N West

                       U E Deender
                       scepper heertgen Jansen

                       U E Denstwijllijghe deender
                       Lambert Brandtsz

 

Reckijnghe van ons traen Eende speck dat wij Ingeladen hebben

          Inden Eersten den traen 

Den 5 Julij ingeschept van Lant onssen Eerste traen Eende was 29 oxhoeffden comt                                                             29     - 0
Den 7 dijto ingeschept 80 oxhoeffden comt           80     - 0
Den 10 dijto Ingeschept 24 oxhoeffden comt         24     - 0
Den 12 dijto Ingeschept 23 oxhoeffden comt         23     - 0
Den 18 dijto ingeschept 50 oxhoeffden comt         50     - 0
Den 19 dijto Ingeschept 26 oxhoeffden comt         26     - 0
Den 23 dijto Ingeschept 10 oxhoeffden comt         10     - 0
Den 24 djito Ingeschept 26 oxhoeffden comt         26     - 0
Den 27 dijto Ingeschept 16 oxhoeffden traen         16     - 0
Den 28 dijto Ingeschept 41 1/2 oxhoefft comt        41 1/2 - 0   
Den 1 Augustij noch 2 halve vaeten traen comt        1     - 0
Den 4 dijto noch 17 oxhoeffden traen Ingeladen comt 17     - 0
Den 5 dijto Ingeschept 6 oxhoeffdden comt            6     - 0
                       somme Is netto In alles              349 1/2 oxh

 

vollijgt hett gesneden speck In vaeten

Den 14 Junij ingekreghen 9 oxhoeffden speck comt     9     - 0
Den 16 dijto ingeschept 15 1/2 oxhoefft comt         15 1/2 – 0
Den 28 Julij 7 oxhoeffden Ingeschept comt                7     - 0
Den 29 dijto 71 oxhoeffden ingeschept comt            71     - 0
Den 31 dijto 75 oxhoeffden Ingeschept comt            75     - 0
Den 1 augustij 41 1/2 oxhoeffden Ingeschept comt  41 1/2 – 0
Somma In alles netto                                        219 1/2 oxho

Noch hebben wij An boert gekreghen In verscheijden Reijssen an Walvijs baerdden na mijn Reckijnghe 642 dosijn comt 642 - 0

U  E Doende
schepper heertgen Jansen

U  E doende
Lambert Brandtz

 

  • Journaal van schipper Heertgen Jansz, anno 1616, GA Enkhuizen 439

naar boven
naar Pieter Jacobsz Geuzebroek

 
   copyright©Nanda Geuzebroek 2004

laatst bijgewerkt 20 november 2004