Pieter
Jacobsz Geusebroeck (ca. 1566-1628/30)
Over Pieter Jacobsz Geusebroeck heb ik veel informatie
kunnen vinden, dankzij het feit dat hij schipper was. Hij heeft een veel
bewogen leven gehad. Op vele plaatsen op de wereld hoorde hij bij de
pioniers die in verre oorden hun geluk beproefden. Niet altijd was de
afloop even gelukkig.
Een van de mooiste archiefstukken die ik over Pieter
Jacobsz Geusebroeck gevonden heb, is het scheepsjournaal van Heertgen Jansz.
Deze voer in konvooi met een aantal andere schepen naar Jan Maijeneiland
om op walvissen te jagen.
Op een van de andere schepen voerde schipper Pieter Jacobsz Geusebroeck
het bewind. Het journaal heb ik integraal getranscribeerd, d.w.z. in
moderne letters omgezet. Het is
hier terug te vinden.
Op deze bladzijde eerst de achtergrondinformatie en de
beschrijving van de reis, zoals ik die in mijn boek heb beschreven.
Nieuwe
avonturen: Op walvisjacht
In 1612 voer Willem Cornelisz van Muijden als eerste walvisvaarder naar
het Noorden. De reis werd een mislukking. Niemand had enige kennis van
zaken betreffende de walvisvangst. Degenen die verstand hadden van
walvisvaart waren de Franse en Spaanse Basken. Zij konden putten uit een
eeuwenlange ervaring met de walvisjacht.
Voor het welslagen van een walvisvaartexpeditie was het in dienst nemen
van Basken dan ook van essentieel belang. Na 1612 zorgde men ervoor altijd
voldoende Basken aan boord te hebben.
In 1614 werd een nieuwe visgrond ontdekt in het poolgebied. Het eiland
werd naar een van de ontdekkers, Jan Jacobsz May uit Schellinkhout, Jan
Maijeneiland genoemd.
Twee jaar later in 1616 rustte de inmiddels opgerichte Noordsche Compagnie
een walvisvaardersvloot uit, die naar Jan Mayeneiland zou gaan om daar op
walvissen te jagen. Omdat Jan Mayeneiland een eigen ontdekking was, konden
de Nederlanders er zekere rechten doen gelden en waren ze redelijk veilig
tegen de concurrerende Russen en Engelsen.
Op 25 mei 1616 varen drie schepen het Landdiep bij Texel uit. Het zijn 'De
Hope' van schipper Heertgen Jansz met als stuurman Louwrens Jacobsz, 'De
Drie Coningen' van schipper Pieter Jacobsz Geusebroeck met als stuurman de
dertigjarige Pieter Hendricx en een oorlogsschip onder bevel van 'jeneraal'
Jan Jacobsz Schrobop.
Heertjen Jansz vaart in opdracht van de Kamer van Enkhuizen. Hij houdt een
journaal bij, dat bewaard is gebleven.
Hij vaart een tamelijk klein schip. Het telt slechts 42 bemanningsleden.
Ze hebben geen Basken aan boord.
Pieter Jacobsz Geusebroeck vaart in opdracht van de Kamer van Hoorn. Het
oorlogsschip zal later versterking krijgen van nog twee oorlogsschepen,
één onder leiding van Anthoni Jansen en één onder bevel van Pieter Corssen.
Hun aanwezigheid bij de vloot is van groot belang, omdat in deze begintijd
een gewapend treffen met de buitenlandse concurrenten niet denkbeeldig
is.
Verder zal de vloot nog gezelschap krijgen van twee schepen van de Kamer
van Vlissingen, te weten: 'Den Cabbeliau' van schipper Willem Willemsz en
'De Post' van Jan Verelle. De Kamer van Amsterdam stuurt drie schepen:
'De Waterhont' van schipper Claes Joosten, 'Den Neptunes' van de 'eerste
Nederlandse walvisvaarder' Willem van Muijden en 'De Orangienboom' van
schipper Wybe Jansz. De Rotterdamse kamer stuurt 'De Witte Swaen' van
schipper Tijs Jansz Hoepstock.
Ook de kleine Noordsche Compagnie o.l.v. koopman Adriaen Leversteyn vaart
met vijf schepen naar Jan Mayeneiland. Eigenlijk is het bestaan van deze
compagnie betwist, maar omdat zij tot de ontdekkers van Jan Mayeneiland
behoren, werken de twee Compagnieën met de nodige strubbelingen wel samen
als ze eenmaal op Jan Mayeneiland zijn.
De eerste bladzijde van het journaal van Heertjen Jansz. Hij somt bovenaan
op wie er nog meer mee varen.
Tijdens de reis naar Jan Mayeneiland wisselen mooi
en slecht weer elkaar af. De marszeilen moeten regelmatig ingehaald en
weer gehesen worden
Dinsdag 31 mei bereikt de kleine vloot de Shetlandeilanden. Er wordt
overlegd of er aangelegd zal worden om voorraden water of andere
levensmiddelen in te nemen, maar men besluit te profiteren van het
gunstige weer en door te varen. Het weer verandert echter. Het begint te
misten en de schepen raken elkaar uit het oog. Door middel van schoten
probeert men elkaar van zijn positie op de hoogte te houden. Als de mist
optrekt, vindt men elkaar weer terug.
Op 6 juni wordt de poolcirkel bereikt. De eerste walvissen worden
gesignaleerd. Drie dagen later bereiken ze hun doel. Het is echt poolweer:
het sneeuwt en het is bijzonder koud. Omdat men in de luwte van het
eiland komt te liggen, kunnen de schepen niet dichterbij het land komen en
vaart men een beetje heen en weer langs de kust. Tenslotte wordt een sloep
uitgelaten en een aantal mannen gaan op verkenning om te zien of er walvis
te vangen valt. Het blijkt dat Willem van Muijden, Wybe Jansz, Tijs Jansz
Hoepstock en Claes Joosten al gearriveerd zijn. Zij hebben in twee dagen
tijd al zeven walvissen gevangen. Willem van Muijden en Wybe Jansz
hebben laten zien dat ze ervaren walvisjagers zijn.
De eerste van onze West-Friese vloot die het lukt een walvis te vangen is
Pieter Jacobsz Geusebroecks bemanning. Dit komt, omdat De Drie Coningen
veel groter is dan de Hope. Er is daarom veel meer bemanning en wat
belangrijk is: ze hebben Basken aan boord.
Het is bijna onvoorstelbaar dat men in staat was deze enorme Groenlandse
walvissen te vangen met de toch tamelijk primitieve middelen en de kleine
bootjes, waarin men de eigenlijke jacht deed. Eén klap van de staart van
zo'n reuzenwalvis tegen een sloep en de hele bemanning ligt in zee: een
weinig aantrekkelijk lot in deze ijskoude gebieden.
De bedoeling is dat de verschillende bemanningen samenwerken. Heertje
Jansz moet dus geholpen worden door de Basken die bij de anderen aan boord
zijn. De samenwerking verloopt niet altijd even vlekkeloos en de
'jeneraal' heeft dan ook regelmatig bijeenkomsten met de verschillende
schippers om een eind te maken aan de strubbelingen.
Terwijl de jagers de vissen vangen, bouwen anderen op het land de
traanovens en de tenten, waarin een groot deel van de bemanning de zomer
zal verblijven.
In deze vroege tijd, als de walvissen nog in grote getale rondzwemmen,
worden de gedode walvissen naar het land gesleept. Dan kan de speksnijder
aan het werk. Door het rottingsproces waar de vis aan onderhevig is, is
dit een tamelijk smerig werkje. Soms gebeurt het dat een enkele snee al
voldoende is om de vis te laten openbarsten, waarbij de speksnijder de
hele rottende inhoud van de vis over zich heen krijgt.
De bemanning van Heertjen Jansz' schip werkt met de 'Hornen' samen om de
vis te bewerken. Een deel van het spek en de baarden komt dan ook in de
ruimen van 'de Hope' te liggen.
Op 15 juni verschijnen er 's avonds twee Engelse schepen op de ree. Van
Schrobop, de 'jeneraal', krijgen ze toestemming om te blijven.
De volgende avond verschijnen de schepen van de kleine Noordsche Compagnie
en de twee Vlissingse schepen in de baai.
Op 17 juni wordt hard gewerkt om materiaal aan land te brengen om een
traanketel, een koelbak en een kapbank te bouwen. Dan wordt het plotseling
slecht weer en verschillende schepen raken in moeilijkheden. Zo ook 'de
Hope', het schip van Pieter Jacobsz Geusebroeck en Willem Cornelisz, die
alle dreigden van hun ankers te raken. Gelukkig loopt alles goed af en
wordt het 's avonds weer rustiger weer.
De volgende dag begint het weer te stormen en Heertjen Jansz' schip drijft
bijna tegen de boeg van het schip van de 'jeneraal'.
Diezelfde dag vind er overleg plaats op het generaalschip tussen Heertje
Jansz en Van Schrobop, omdat Pieter Jacobsz' 'vollick wat meer vangende
onwillich was, docht een igelick mocht sijn vis selve vanghen; dat een
igelick vonck (=vangst) was voor sijn eyghen schepsladinghe'. De generaal
besloot anders: men moest samenwerken aangezien Heertje Jansz geen
Biskayers aan boord had. Er wordt besloten dan de Enkhuizers en de
'Hornen' samen traan zullen koken en dat het traan over de beide schepen
verdeeld zal worden. Ook wordt afgesproken dat eerst het schip van Willem
van Muijden vol gemaakt zou worden en dat hij dan 'De Hope' en "De Drie
Coningen' zou helpen. Van deze laatste afspraak is niet veel
terechtgekomen. 'Willem heeft met “syn eyghen vollick traen gekockt; sy
hadden over de 70 man met Boskayers en al”.
Dinsdag 21 juni is een pechdag. Als de harpoenier van 'De Hope' samen met
Jan Duvel van het Hoornse schip een vis aan de lijn hebben, krijgt een
sloep een klap van de walvis, waardoor de sloep 'in stukken' lag en 'een
van onse maets in see viel; die Hornse maets mosten bot vieren om ons
volck te bargen' en de vis moesten ze laten lopen.
De traanketels zijn nu in vol bedrijf. Er worden zes halve vaten traan
afgestaan aan Wybe Jansz, die ze gebruikt om 'De Orangienboom' af te
laden. De volgende dag vertrekt hij als eerste weer naar het vaderland.
Op zondag 26 juni begint het hard te waaien. Het werk wordt daardoor
onmogelijk omdat de vissen drijvende raken en daardoor niet geborgen
kunnen worden. Ook loopt het water zo hoog op de kant, dat de vaten met
gekookt traan hogerop gerold moesten worden. De baarden dreven uit de vis
zodat “grote schade geschiede”.
Het blijft een tijdje slecht weer, waarbij veel sneeuw valt. Als het weer
opknapt op 4 juli, wordt er weer hard gewerkt om de verloren tijd in te
halen. De West-Friese schippers krijgen toestemming om spek te laden,
omdat ze niet genoeg traan hadden om al hun vaten te vullen. Er wordt ook
haast gemaakt met het laden van traan in de beide schepen. Ze krijgen
daarbij hulp van anderen.
Op 8 juli speelt er een onenigheid tussen de Noordsche Compagnie en de
kleine Noordsche Compagnie. Deze laatste zouden te veel walvisbaarden
hebben ingeladen. Van Schrobop en Pieter Jacobsz Geusebroeck gaan erop af
om de baarden terug te halen.
Er wordt veel vis gevangen. Iedereen werkt hard mee. Er wordt zelfs een
nieuwe traanketel gebouwd.
Op 15 juli wordt het wederom slecht weer. De vis waaraan door de
Enkhuizers en Hoornen gewerkt werd, dreef tegen het land. Het werk moest
gestaakt worden en de mannen beleven angstige momenten als ze proberen
weer aan boord te komen. Ook nu weer liep alles goed af.
Op 22 juli wordt bij mooi weer door een Bask, in aanwezigheid van Willem
van Muijden, Pieter Jacobsz Geusebroeck en Heertjen Jansz, een belangrijk
werkje verricht. Hij meet de precieze ligging van het eiland. Aangezien
het hier om een pas ontdekt land ging, moest in opdracht van de Heren
Bewindhebbers van de Noordsche Compagnie, de juiste ligging bepaald
worden.
Op 23 juli is het schip van Willem van Muijden vol. De volgende dag
vertrekt hij. Alleen zijn speksnijder blijft achter om de anderen te
helpen. De tijd begint te dringen. Het zomerseizoen loopt af. Het wordt
tijd, dat iedereen weer terugkeert naar huis.
Er wordt hard gewerkt om de schepen vol te krijgen. Ook de bemanning van
de oorlogsschepen helpt mee.
Op 2 augustus vertrekt het Vlissingse schip van Jan Verelle. De kleine
Noorsche compagnie is ook al vertrokken. Op 4 augustus vertrekt een
Engelsman. Op 5 augustus hebben Heertje Jansz, Claes Joris en Tijs
Hoepstock hun boten vol. Ze laten dit weten door middel van een
vreugdeschot.
Maar dan verschijnt Wybe Jansz weer op de ree met een leeg fluitschip. In
opdracht van de Heren Bewinthebberen van de Noordsche Compagnie moet ook
dit schip vol gevist worden. Iedereen moet daarbij helpen. De mannen
protesteren: zij hebben aan hun eed voldaan om hun eigen schip vol te
laden. Hun kleren zijn versleten of - bij het vooruitzicht te zullen
vertrekken - overboord gegooid. Kortom, geen van de scheepsbemanningen
voelt er iets voor mee te werken.
De beraadslaging de volgende dag tussen de 'jeneraal', Heertjen Jansz en
Pieter Geusebroeck heeft als uitkomst dat de volgeladen schepen weg
zullen varen. Alvorens te vertrekken worden er nog producten uitgewisseld
tussen Wybe Jansz en de anderen. Wybe Jansz krijgt een “tonnen grutten” en
de anderen krijgen nieuwe haring, wijn en wortelen.
De woede richtte zich duidelijk niet tegen Wybe Jansz, maar tegen de Heren
Bewinthebberen.
Op 8 augustus besluit de 'jeneraal' met 7 schepen onder zeil te gaan en
naar huis terug te keren. De schepen die vertrekken zijn “2 van orlogh
ende 2 utten Maes, als Hopstock ende Claes Joris, Hornen (=Pieter Jacobsz
Geusebroeck) en wij van Enhusen met het Vlissingher boot”.
Het duurt even voor men het land achter zich gelaten heeft. Pas de
volgende dag laat men in de middag Jan Mayeneiland achter zich. 's Avonds
komt er een dichte mist opzetten, zodat Heertje Jansz alle schepen uit het
zicht verliest. De volgende dag voegt alleen de Waterhont zich weer bij
hen. Op 11 augustus begint het te stormen. Toch gaat de reis nog wel
voorspoedig. Op 17 augustus zien ze drie schepen achter zich. Men
vermoedt dat het 'ons vloot' was. En ja hoor, het bleken het oorlogsschip
van kapitein Antonie, Pieter Jacobsz Geusebroeck en het Vlissinger bootje
te zijn.
Op 24 augustus bereikt men het Spanjersgat en is men bijna thuis.
Het blijkt, dat als na thuiskomst van Heertje Jansz de lading wordt
bekeken, deze de somma van €36365 - omgerekend naar nu - vertegenwoordigd.
De lading van het schip van Pieter Jacobsz Geusebroeck dat groter was,
moet dus nog meer waard geweest zijn. De Heren Bewinthebberen van de
Noordsche Compagnie konden tevreden zijn.
-
Journaal van schipper Heertgen Jansz , anno 1616 GAE 439
-
J.Brander, De walvisvangst en de traannering op Jan Maijen in 1616,
West- Friesland Oud en Nieuw, jaargang VI, Hoorn 1932.
-
Walvisvaart in de Gouden Eeuw, Opgravingen op Spitsbergen, red. L.
Hacquebord en w.Vroom, Amsterdam, 1988