De geschiedenis van de familie Winsser
In het dorpje
Gebesee bij Erfurt in het voormalige Oost-Duitsland woonde in de eerste
helft van de achttiende eeuw een boer met de achternaam Winser. Hij had
met vier zonen: Johan Martin, Johan Mattheus, Jurriaan Fredrik en Johan
Balthazar.
Kennelijk was het
bedrijf niet groot genoeg om alle vier zoons een redelijk bestaan te
verschaffen. Jurriaan Fredrik vertrekt als eerste uit Gebesee om
zijn geluk elders te beproeven. Hij vertrekt naar Amsterdam, waar nog
steeds een redelijke welvaart heerst. De handelspositie van Amsterdam is
nog steeds dusdanig, dat velen werk vinden in de haven en elders in de
stad.
In mei 1737 wordt
Jurriaan Fredrik bijgeschreven in het lidmatenboek van de Evangelisch
Lutherse Kerk. In datzelfde jaar trouwt hij met Anna Benedictus. Veel
geluk is hem wat dit betreft echter niet beschoren. Zijn vrouw overlijdt
een jaar later, vermoedelijk bij de geboorte van zijn eerste zoon. Twee
jaar daarna overlijdt Maria Itzken, zijn tweede vrouw en weer twee jaar
daarna Catharina Margaretha, zijn derde vrouw. Zijn vierde vrouw, Anna
Maria Rodenburg, overleeft hem.
Broer Johan
Baltzar vertrekt (via Amsterdam?) naar Suriname. Hij overlijdt daar in
1763.
Ook Johan
Mattheus komt naar Amsterdam. Hij gaat op de Haarlemmerdijk wonen en
trouwt in 1742 met Sophia Gandt. Zijn broer Jurriaan is getuige. Ook hij
woont op de Haarlemmerdijk.
Sophia Gandt is geboren in Bukken (Noord Saksen). Haar ouders, Jan
Gandt en Magdalena Vos, waren toen Sophia nog een kind was naar Amsterdam
gekomen. Ze leidden, zoals veel immigranten, een armoedig bestaan in nauwe
steegjes in de Jordaan. Ze overlijden jong. Jan Gandt in 1720 in de
Palmdwarsstraat tussen de Palmstraat en het Franse Pad, de tegenwoordige
Willemsstraat en toen een van de aller armoedigste en smerigste straten
van de Jordaan. De bestrating ontbrak er en veel vuiligheid van
huishoudens en poepemmers werd op straat in het stinkende slootje geloosd.
Als zijn vrouw
Magdalena drie jaar later overlijdt, woont ze niet veel beter, nl. in de
middelste Goudsbloemdwarsstraat. Sophia blijft als klein kind achter en
wordt waarschijnlijk verder opgevoed door haar vaders zuster, die ook
Sophia Gandt heet, en haar man Marten Heeger. Deze laatste is eveneens van
Duitse afkomst. Hij is suikerbakker (=iemand die in een suikerfabriek,
waarvan er verschillende waren in de Jordaan, werkt) en woont op de
Elandsgracht. Als Sophia Gandt met Johan Mattheus Winser trouwt, wordt zij
geassisteerd door haar oom Marten, die als enige nog in leven is.
De beide broers
trekken veel met elkaar op, zoals moge blijken uit het feit dat ze over en
weer getuige zijn bij de diverse geboortes van hun kinderen. In huiselijk
kring zullen zij waarschijnlijk door zijn blijven gaan met Duits spreken.
Zelfs in 1763 als ze al 25 jaar in Amsterdam wonen, wordt er nog een Duits
geschreven notariële akte voor hen opgemaakt. Misschien is dit gedaan met
het oog op hun nog in Gebesee wonende broer aan wie ze het eigendomsrecht
van al hun bezittingen met de opbrengst daarvan overdoen.
Johan Mattheus en Sophia Gandt krijgen vijf kinderen. Twee daarvan
overlijden voor hun eerste jaar. Twee dochters, Anna en Maria, en hun
enige zoon Jurriaan (naar broer Jurriaan) bereiken de volwassen leeftijd.
Als Jurriaan
de leeftijd heeft bereikt, waarop hij geïnteresseerd raakt in het andere
geslacht, ontmoet hij Anna Maria Peets. Hij vindt haar kennelijk
aantrekkelijk, in ieder geval aantrekkelijk genoeg om een vrijage met haar
te beginnen, die resulteert in de geboorte van Helena op 31
december 1778. Twee en halve maand later overlijdt Anna Maria, als zijnde
'de enige dochter van de weduwe Peets in de Beerenstraat'. Geen echtgenoot
dus. Van enig huwelijk is nergens een spoor te bekennen in de Amsterdamse
archieven. Maar misschien dat ergens in een polderdorpje in Noord-Holland
hun huwelijk is voltrokken?
Helena wordt Luthers gedoopt, waarbij Jurren Mattheusz Winser als de vader
genoemd wordt en zij ook haar vaders achternaam krijgt.
Drie jaar later trouwt hij met een Waalse vrouw uit Londen met de
welluidende naam Jeanne Mari Morellon la Cave. Zij krijgen drie dochters
met zeer Franse namen, waarvan Marie Anne Suzanne op vier jarige leeftijd
overlijdt en Charlotte Sophie als alleenstaande naaister in 1815 op
29-jarige leeftijd een 'onecht' kind krijgt: Jan Jacob Winser.
Kennelijk heeft onze
Jurren zich niet aan zijn vaderlijke plichten ten opzichte van de kleine
Helena onttrokken en haar in zijn huishouden opgenomen en opgevoed, wat
moge blijke uit het feit, dat Helena in 1805 trouwt met Johannes, ook wel
Jean Gerhard, van Vrij Aldenhoven, een man van het Waalse geloof.
Helena Winser en Johannes van Vrij Aldenhoven krijgen drie kinderen. In
1805 een zoon: Jean Gerard, in 1808 een dochter: Margaretha Maria en in
1810 nog een dochter: Margaretha Girarda, vernoemd naar de ouders van
Johannes.
Als de jongste drie jaar is, overlijdt Johannes en komt Helena er alleen
voor te staan. Ze hertrouwt niet meer, maar ze ontmoet wel Salomon
Simons, een Hoog-Duits joodse man uit de Rapenburgerstraat.
Salomon Simons is de een na oudste zoon van Eliazer Joseph Simons en Elsje
Abrahams Benedictus. Hij werd geboren op 11 april 1777.
Hij heeft een tien maanden oudere broer, Mozes Eliazer. Zijn oudste zus,
Hanna, is zeven jaar ouder. Zijn broers Benedictus en Andries zijn jonger
en zus Sara is een nakomertje. Zij werd pas in 1792 geboren. Al deze
kinderen bereikten de volwassenheid. Het is niet onwaarschijnlijk dat er
nog meer kinderen geboren zijn die al vroeg overleden zijn.
Het leven in de jodenbuurt was buitengewoon armoedig. Helemaal in de
Franse tijd toen de economie op zijn gat lag door de Franse overheersing.
Simon moet dan ook sappelen om iets te verdienen. Hij heeft vele
'beroepen' en baantjes. Zo is hij ondermeer loterijventer, koopman (lees
venter) en kantoorloper.
Helena en Simon trouwen niet. De reden hiervoor zou kunnen zijn dat het
ongebruikelijk was voor joden om met niet-joden te trouwen. Ze krijgen wel
twee kinderen. In 1818 wordt Geertruida Winser geboren. Zij wordt door
Salomon aangegeven in het bevolkingsregister, maar pas in 1842 als
Geertruida in het huwelijksbootje zal stappen met Willem Wiesner, erkent
hij haar officieel als kind. Geertruida is dan al 24 jaar oud.
Zoon Franciscus wordt op 13 mei 1822 geboren en wel met de
achternaam Simons ingeschreven. Ook toen waren zijn ouders niet getrouwd.
Dit blijkt uit het volgende:
In 1851, bij het begin van de registratie in het bevolkingsregister, wonen
Salomon Simons en Helena Winser in de Koestraat 1 in een kamer onder het
pakhuis. Over armoede gesproken! Salomon die dan 74 jaar is, heeft geen
beroep, Helena wordt ingeschreven als mutsenmaakster. Degene die de
inschrijving verzorgt, schrijft eerst op dat ze gehuwd zijn, maar
verbetert dat in ongehuwd. In datzelfde jaar 1851 overlijdt Salomon Simons.
Dat Salomon Simons
ook een soort vaderrol gespeeld heeft voor de kinderen uit Helena's
huwelijk met Johannes Van Vrij Aldenhoven, blijkt uit het feit dat hij
bijvoorbeeld getuige is geweest bij het huwelijk van Helena's zoon Jean
Gerard in 1836.
Een half jaar voor
het overlijden van Salomon Simons trouwt zoon Franciscus op 15 mei 1851,
met Lammigjen Minnen. (Een mooiere naam kun je niet
verzinnen!)
Lammigjen Minnen was de dochter van Adam Minnen, een schipper en van
Geertruida Doggenaar. Na de dood van Adam bleef Geertruida doorvaren als
schipperse. Hun dochter Lammigjen werd geboren in Zwartsluis bij Zwolle op
31 mei 1824.
Franciscus en
Lammigjen hadden al heel lang een verhouding.
Op 9 mei 1847 wordt uit die relatie Helena Lambertha Francisca
Minnen geboren. Op 6 november 1848 wordt Geertruida Minnen geboren en op
13 mei 1850 Wilhelmus Franciscus Minne. Alle drie de kinderen worden door
Salomon Simons aangegeven bij de burgerlijke stand. Van vader Franciscus
ontbreekt elk spoor. Zat hij misschien in dienst? Was hij niet in de stad?
Ik heb dat niet kunnen vinden. Bij het huwelijk worden de drie voor-huwelijkse kinderen erkend door vader Franciscus Simons. Ze krijgen
dan allen de naam Simons.
Het was in die tijd
niet ongebruikelijk dat mensen, en met name de minderdraagkrachtigen, niet
huwden. Als er geen bezittingen waren, was de noodzaak van een huwelijk
voor hen niet zo groot. Als de man in dienst zat, moest hij toestemming
hebben van zijn superieuren om een huwelijk aan te gaan. Vaak werd die
toestemming niet verleend, omdat men niet wilde dat de vrouw bij het
overlijden van haar man aanspraken kon maken op ondersteuning uit de
staatskas. De jaren rond 1848 waren nogal turbulent. In Frankrijk en
Duitsland waren revoluties losgebarsten. Ook in Nederland beleeft men
roerige tijden totdat in 1848 de eerste grondwet wordt aangenomen. In
verband met de omliggende revoluties is het dus niet denkbeeldig, dat
Franciscus in dienst was.
Tijdens de
afwezigheid van Franciscus voorziet Lammigjen in haar onderhoud als turf-
en houtverkoopster. Ze woont op een kamer op de Singel 318.
Na het huwelijk krijgen ze nog een zoon op 6 september 1852: Franciscus
Adam Simons. In november 1854 volgt nog een dochter, Lambertha, maar zij
overlijdt negentien maanden later op 24 mei 1856.
Het gezin verhuist in 1853 naar de Vliegende Steeg. Ze hebben dan een
winkel en er komt een dienstbode inwonen. Na zeven jaar huwelijk overlijdt
Lammigjen op 36-jarige leeftijd.
Franciscus hertrouwt op 17 maart 1859 met Geertruida Veraar.
In april 1872
verlaat Helena Lambertha Francisca Simons het ouderlijk
huis. Ze gaat op de Westerstraat 55 wonen. Ze trouwt een paar maanden
later op 22 augustus 1872 met Johannes Cornelis Hageman. Zij is dan
25 jaar oud, Johannes is 26 jaar. Zij gaan in hetzelfde huis wonen waar
Helena woont. Ze betrekken alleen een andere kamer. Hier blijven ze twee
jaar wonen.
Johannes is goudsmid en de zoon van Johannes Cornelis Hageman, een
letterzetter die oorspronkelijk uit Utrecht komt, en van Christina
Braakman, wier vader Dirk Braakman uit Borstel in de buurt van Oldenburg
in Noord-Duitsland kwam.
Op de Westerstraat worden op 29 juli 1874 Johanna Cornelia en Francisca
geboren. Francisca overlijdt twee weken later op 14 augustus 1874. In deze
zelfde maand verhuizen ze weer naar een andere kamer in hetzelfde huis.
Hier wordt op 4 februari 1876 Geertruida Francisca geboren.
Het is niet zo
moeilijk na te gaan naar wie de kinderen vernoemd worden. De tweeling
wordt naar de beide opa's vernoemd. Geertruida Francisca wordt naar opa
Franciscus Simons en naar oma Geertruida Doggenaar genoemd.
In april 1878 verhuist het gezin naar de Bickersgracht 30. Hier worden
vijf kinderen geboren:
Op 18 december 1877 wordt Helena Lambertha Francisca geboren, natuurlijk
naar haar moeder genoemd.
Op 23 september 1879 volgt Johannes Cornelis, naar pa en opa genoemd.
Nummer zes arriveert op 19 juli 1881. Hij wordt Dirk genoemd, naar oom
Dirk Hageman, de broer van zijn vader, die op zijn beurt weer vernoemd is
naar de vader van zijn moeder, Dirk Braakman.
Aangezien er nog steeds geen kind echt naar opa Franciscus is vernoemd,
valt die eer te beurt aan de zoon die op 31 januari 1884 geboren wordt.
Als laatste verschijnt op dit adres Jannetje Hageman ten tonele. Zij wordt
op 19 juni 1886 geboren. Waarschijnlijk wordt zij vernoemd naar de derde
vrouw van opa Hageman, Jannetje Mos met wie hij dan drie jaar getrouwd is.
Op 3 augustus 1886
verhuist het gezin naar de nieuwe uitbreidingswijk Nieuwer Amstel. Daar
worden twee kinderen geboren:
Op 26 februari 1889 Jacoba Johanna. Zij wordt vernoemd naar de oudste
broer van vader Johannes.
Op het adres Van Speykstraat 11 wordt dan op 16 september 1891 nummer tien
geboren. Kennelijk is de fantasie op naamgevingsgebied dan uitgeput, want
hij krijgt dezelfde namen als zijn twee jaar eerder geboren zusje:
Johannes Jacobus.
Op 19 december 1892
komen ze weer naar Amsterdam. Ze gaan dan wonen op de Haarlemmerweg 7.
Ruim een half jaar later verhuist het hele spul naar de Eerste
Goudsbloemdwarsstraat 18. Een jaar later, op 25 mei 1894, vertrekken ze
naar de Brouwersgracht 127. Hier blijven ze acht jaar wonen.
Jannetje vertrekt als ze acht jaar oud is in 1894 naar Hilversum. Ze gaat
dan wonen bij haar tantes Christina en Maria Hageman. Haar tante Christina
is daar directrice van een tehuis voor vrouwen. Jannetje blijft daar vijf
jaar wonen tot juni 1899. Wanneer de oudste, Jo, het ouderlijk huis
verlaat op 4 oktober 1899, gaat ze ook naar Hilversum naar de tantes. Zij
is in Hilversum blijven wonen en daar getrouwd met Meindert Rebel.
Het volgende adres
is de Palmgracht. Ze trekken hier op 31 mei 1894 in.
Op 1 maart 1902 komt zoon Dirk op twintigjarige leeftijd om het leven. Hij
is verhuizer van beroep. Bij het verhuizen van een piano, valt de piano
uit de takel boven op Dirk. Hij leeft nog een paar dagen, maar overlijdt
dan.
Op Ko, de jongste, na verlaten de andere kinderen vanuit dit huis de
ouderlijke woning. Geertruida vertrekt als eerste van dit adres in 1903.
Zij keert op gezette tijden weer terug in het ouderlijk huis, maar
vertrekt toch telkens weer.
Als tweede vertrekt Helena Lambertha Francisca van de Palmgracht. Ze
vertrekt op 18 april 1904, op de dag dat zus Truida weer thuis komt wonen
voor een tijdje. Zij gaat in Terneuzen wonen bij de weduwe Dregman op de
Nieuwsstraat.
Op 21 september 1905 vertrekt Johannes Cornelis. Hij zal later vader van
een drieling worden.
Op 28 juli 1910 trouwt Jannie met Lippe Geusebroek. Ze wordt uitgeschreven
naar de St.-Nicolaaslaan B169 in Voorschoten.
Nummer zes die van de Palmgracht vertrekt is Frans. Hij vertrekt op 28 mei
1912.
Dan volgt Coba, die op 15 mei 1913 met de broer van haar zwager Lippe
Geusebroek, Willem Geuzebroek, trouwt. Zij verhuizen naar de
Potgieterstraat 35 in Haarlem en zullen daar een talrijk nageslacht
nalaten.